 |
| fig. 1 |
De diagnostiek van een "lui oog" wordt vaak (te) laat gesteld. Een kind is zich dikwijls niet bewust dat hij een goed en een slecht oog heeft. Zeker als er
geen sprake is van duidelijk scheelzien, merken de ouders vaak ook niet dat er sprake is van een "lui oog".
De diagnose amblyopie wordt gesteld door een duidelijk verschil aan te tonen in gezichtsscherpte tussen de twee ogen.
Aangezien het bepalen van de exacte gezichtsscherpte op zeer jonge leeftijd moeilijk is, schat de oogarts vaak de gezichtsscherpte door het
beoordelen van de volgbewegingen. Er wordt dan gekeken hoe een kind een lichtje of een voorwerp volgt met één oog, terwijl
het andere oog wordt afgedekt. (fig.1) Als één oog duidelijk minder ziet dan het andere oog, dan is dit bij het onderzoek vaak snel
duidelijk door slecht volgen, protesteren, of zelfs huilen van de baby. In dit geval is nader onderzoek zeker noodzakelijk. Bij dit
onderzoek wordt na indruppelen van pupilverwijdende druppels de brekingstoestand van de ogen bepaald. Verder wordt de helderheid van het
hoornvlies en de lens en de toestand van het netvlies door de oogarts beoordeeld. Vanaf de kleuterleeftijd wordt de gezichtsscherpte bepaald met
de "plaatjeskaart" (fig.2), en bij nog iets oudere kinderen kunnen symbolen (E-haken of C-ringen) (fig.3) of letters gebruikt worden om
de gezichtsscherpte te meten.
 |
 |
| fig. 2 |
fig. 3 |
|