Mensen die brillen dragen hebben slechte ogen.
Over brillen bestaan verscheidene onjuiste opvattingen. Men hoort wel eens spreken over slechte ogen. Daarmee bedoelt men dan bijna altijd dat
de persoon in kwestie een bril draagt, en niets meer. Dit berust op een onjuist begrip: achter (dikke) brillenglazen kunnen zich kwalitatief
perfecte ogen bevinden. Als iemand een bril draagt betekent dit meestal alleen dat hij een refractiestoornis heeft en er behoefte aan
heeft deze met een bril te corrigeren.
Het niet of zelden dragen van een voorgeschreven bril doet de ogen schade.
Het dragen van een bril heeft geen invloed op de kwaliteit van een oog: indien een voorgeschreven bril niet of niet geregeld wordt gedragen wordt het oog
zelf hierdoor niet beïnvloed, noch ten goede noch ten kwade!
( Hierop is één belangrijke uitzondering: de bril bij de jeugdige strabismuspatiëntjes vóór de schoolgaande leeftijd; daar
kan een bril de functie van het oog soms wel degelijk helpen verbeteren. Ditzelfde geldt voor patiëntjes van dezelfde leeftijd met amblyopie ten gevolge
van een refractieafwijking. Het ontstaan van refractieafwijkingen wordt echter niet beïnvloed door het al of niet dragen van een bril.)
Een bril dragen maakt de ogen lui. Het verdient de vookeur zijn bril zo weinig mogelijk te dragen.
Het niet willen dragen van een bril om te voorkomen dat de ogen verwend worden berust eveneens op een foutieve gedachte.
Een bril is alleen een middel om zoveel mogelijk profijt van het gezichtsorgaan te trekken en beïnvloedt zodoende wel het subjectieve welbevinden,
maar niet het gezichtsorgaan.
|